Burgers blootgesteld aan onbekende hoeveelheid stank: stuur een brief naar Mansveld

Gepubliceerd op zondag 18 mei 2014

Gedeputeerde Staten van Noord Brabant zijn na onderzoek van Witteveen en Bos tot de conclusie gekomen dat berekeningen van geuroverlast veroorzaakt door de veehouderij niet erg betrouwbaar zijn. Burgers blijken te worden blootgesteld aan een onbekende hoeveelheid stank. Geurberekeningen op basis van VStacks laten aanzienlijke verschillen zien met de realiteit. Dit betekent dat er momenteel geen betrouwbaar instrument voorhanden is op basis waarvan gemeenten vergunningaanvragen van veehouderijen kunnen beoordelen, aldus Gedeputeerde Staten. Staatssecretaris Mansveld is gevraagd snel duidelijkheid te geven over de rechtspositionele gevolgen voor bestaande en nieuwe vergunningen en RO-besluiten en snel te zorgen voor een korte termijn oplossing.

Oproep aan groepen omwonenden: ondersteun dit verzoek en schrijf een brief naar staatssecretaris Mansveld. Op deze website staat een voorbeeldbrief.

===============VOORBEELDBRIEF================

 

Aan staatssecretaris W. Mansveld van Infrastructuur en Milieu

Postbus 20901

2500 EX Den Haag

Geachte mevrouw Mansveld,

Met deze brief spreken we onze grote zorgen uit over het ontbreken van een betrouwbaar instrument voor de beoordeling van geurhinder veroorzaakt door de veehouderij. Het recente onderzoek van Witteveen en Bos d.d. 18 april 2014 in opdracht van de Provincie Noord Brabant toont aan dat berekeningen van geurhinder in veel gevallen vermoedelijk geen stand kunnen houden. Als omwonenden van -------- in de gemeente --------- achten wij ons door het ontbreken van een betrouwbaar instrument onvoldoende beschermd.

Het onderzoek van Witteveen en Bos is niet het enige dat aantoont dat geurberekeningen rammelen. Al in 2010 heeft de directeur van het Institute for Risk Assessment Sciences (IRAS) van de Universiteit van Utrecht prof. Bert Brunekreef gewaarschuwd dat de wettelijke normen voor stankhinder van de intensieve veehouderij wetenschappelijk zeer gebrekkig zijn onderbouwd. De modellen die worden gebruikt bij berekening van de afstand tussen veehouderijen en burgerwoningen zijn volgens hem daarom onnauwkeurig. Daardoor worden volgens de hoogleraar ten onrechte vergunningen voor stallen verleend of niet verleend. *)

Onze onzekerheid over de mate waarin omwonenden worden blootgesteld aan stank, klemt temeer omdat het geurhinderbeleid in de loop der jaren is versoepeld, in plaats van strenger geworden. De Wet geurhinder en veehouderij (WGV) uit 2007 betekende voor omwonenden buiten de bebouwde kom geen verbetering: er werd hinder toegestaan van meer dan 5 odeur. Dat is vooral nadelig voor kleine buurtschappen, die niet de bescherming hebben van de bebouwde kom. De bescherming tegen cumulatie werd bovendien voor heel Nederland afgeschaft. Voegen we de versoepeling van de normen bij de rammelende geurberekeningen dan betekent dit dat omwonenden in veel gevallen hoogstwaarschijnlijk aan een veel hogere geurbelasting zijn blootgesteld dan aanvaardbaar is en ook door de rijksoverheid wenselijk wordt geacht.

Immers, de Herziene nota stankbeleid uit 1994 van het toenmalige ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, stelde in plaats van een verslechtering juist een grotere bescherming van omwonenden in het vooruitzicht **).

In 2010  zou niet langer sprake mogen zijn van ernstige stankhinder, die volgens de nota optreedt bij een belasting van meer dan tien geureenheden (staat gelijk aan 5 odeur units). Iets wat nog eens werd onderstreept in de GGD richtlijn Geurhinder ***). Daarin wordt een geurconcentratie van 10 geureenheden (= 5 odeur unit) als ‘’slechte milieukwaliteit’’ gekwalificeerd.
We constateren dat van de beleidsvoornemens weinig terecht is gekomen. Ook het recente advies van de Gezondheidsraad, die een afname van geurhinder bepleit, lijkt vooralsnog geen effect te hebben, ook al constateert de raad dat geur- en stankhinder uit veehouderijen een negatieve invloed heeft op de leefbaarheid van het platteland en veel maatschappelijke onrust geeft bij de lokale bevolking. Geurhinder kan volgens de Gezondheidsraad indirect aanleiding geven tot gezondheidsklachten. De Gezondheidsraad constateert dat de normstelling voor geurhinder door veehouderijbedrijven soepeler is dan voor industriële bedrijfstakken. De Gezondheidsraad beklemtoont dan ook het beleid zeker ook te richten op het terugdringen van geurhinder. U heeft dat advies vertaald in een brief aan de Tweede Kamer van 8 april 2014, waarin u vaststelt dat de WGV ruime mogelijkheden biedt aan het bevoegd gezag om te komen tot strengere geurnormen. U nodigt gemeenten uit die mogelijkheden te benutten door een geurverordening op te stellen of die aan te passen.

Helaas moeten wij constateren dat deze boodschap nog niet bij alle gemeenten is aangekomen.

--------- Hier evt. iets schrijven over het geurbeleid van je eigen gemeente --------

Vanuit de praktijk van alledag, waarbij we ook nog eens opmerken dat intensieve veehouderijbedrijven door splitsing of toepassing op papier van andere dan feitelijke stalsystemen hun geurbelasting naar beneden weten te krijgen, vragen we uw aandacht voor de noodzaak van een aanzienlijk strakker geurbeleid. Als omwonenden van een intensief veehouderijbedrijf pleiten we nadrukkelijk voor democratisch tot stand gekomen, duidelijke normen voor geur- en stankhinder en een betrouwbaar rekenmodel dat recht doet aan de feitelijke situatie.

Graag uw reactie.

Met vriendelijke groeten,

 

*) Eindhovens Dagblad, 15 juni 2010

**) Mogelijkheid geurnorm te wijzigen via gemeentelijke verordeningen. Mr. V.R. Wösten en ir. A.K.M. van Hoof, Tijdschrift

voor Agrarisch recht, november 2009

***)http://www.rivm.nl/dsresource?objectid=rivmp:76270&type=org&disposition=inline&ns_nc=1

 

 

Hits: 2162